Verhalenportfolio

Anton Hijsteugel

Anton is geboren op 4 februari 1932 in Moddergat. Moddergat ligt in de provincie Groningen. Zijn moeder was een echte Groningse en heette Graatje Hijsteugel. Zijn vader kwam uit Djibouti. Een land in de Hoorn van Afrika tussen Eritrea en Ethiopië. Zijn naam was Haile Bakkanassa. Eind jaren twintig van de vorige eeuw hebben Graatje en Haile elkaar ontmoet bij de postzegelclub in Loppersum. Dit verhaal gaat over de wonderbaarlijke geschiedenis van deze ontmoeting.

De ouders van Haile kwamen oorspronkelijk uit Ethiopië en zijn tijdens de opkomst van de Rastafari beweging gevlucht naar Djibouti. De oorsprong van de Rasafari beweging ligt in Jamaica. Reggaemuziek is voor Rastafari’s heilig. De oma van Haile had een pesthekel aan Reggaemuziek. Oma woonde bij de Bakkanassa’s in, zoals dat gewoon is bij Afrikaanse families. Bij de eerste de beste klanken van Reggae muziek kreeg oma een woede aanval en schold ze de Rastafari’s de huid vol. En oma kon schelden als de beste, volgens de verhalen. De Rastafari’s op hun beurt konden die scheldpartijen niet waarderen. En dat is nog zwakjes uitgedrukt. De situatie van de Bakanassa’s werd op den duur onveilig en onhoudbaar. Om hun leven zeker te zijn moesten ze vluchten naar buurland Djibouti. Daar werd Haile geboren en de familie leefde een aantal jaren een teruggetrokken rustig en vredig bestaan.

Het noodlot zou echter nog een keer toe slaan. Haile bleek namelijk op jonge leeftijd in het diepste geheim een postzegelverzameling aangelegd te hebben met afbeeldingen van blote skischansspringers uit Liechtenstein. En iedereen in Djibouti weet dat afbeeldingen van blote skischansspringers uit Liechtenstein streng verboden zijn. Niemand wist waarom, maar Haile moest in allerijl Djibouti ontvluchten om erger voor hem en zijn familie te voorkomen. Zijn ouders en oma liet hij in verwarring achter, want zij wisten van niks.

Na een barre voettocht door centraal Afrika en een gevaarlijke overtocht in een gammel bootje naar het Europese vaste land, kwam hij uiteindelijk lopend in Moddergat aan. Moddergat ligt in Groningen en heeft een dijk waar achter de Waddenzee ligt. Als je op de dijk staat kijk je naar Engelsmanplaat en op die plek op de dijk eindigde zijn vlucht. Hij kon niet verder lopen omdat het land hier ophield en hij was uitgeput. Omdat het koud en donker was is hij museum ’t Fiskerhúske binnengelopen. Hij werd daar ontvangen als een geschenk uit de hemel. Haile was begin jaren 30 van de vorige eeuw een bezienswaardigheid met zijn donkere huidskleur en diepzwarte ogen. De bewoners van Moddergat zagen hem als een wonder vanuit een onbekende wereld en lieten hem niet meer gaan. Als snel kwam hij bij de familie Putjeswater terecht, die hem liefdevol opnamen in hun gezin. Haile was toen net vijftien en zijn enige bezit was zijn postzegelboek met afbeeldingen van blote skischansspringers uit Liechtenstein en de kleren die hij droeg.

Omdat Haile postzegels verzamelde werd hij op een zekere dag door de familie Putjeswater meegenomen naar de postzegel ruilbeurs in Loppersum. Loppersum ligt niet ver van Moddergat. Graatje Hijsteugel was daar de koffiedame. Graatje was 19 jaar en direct betoverd door de diep donkere huid van Haile en zijn zwarte glimmende ogen die naar haar keken. Om een lang verhaal kort te maken, ze werden verliefd, betrokken een eigen huisje in Moddergat en hebben elkaar nooit meer losgelaten.

Op 4 februari 1932 is uit deze wonderlijke maar mooie samenloop van omstandigheden Anton geboren. Hij kreeg de achternaam van zijn moeder. Deze naam paste meer bij zijn voornaam vonden Graatje en Haile en bovendien was deze beter uit te spreken voor de gemiddelde Groninger dan Anton Bakanassa. En zo begon de levensgeschiedenis van Anton Hijsteugel. Zoon van Haile Bakanassa uit Djibouti en Graatje Hijsteugel uit Moddergat.

Anton bracht een gewone jeugd door met weinig bijzonderheden en was inmiddels 17 jaar oud toen hij bij de Nederlandsche Aardolie Maatschappij (NAM) ging werken als leerling pijpfitter. Anton bleek niet zo goed te kunnen leren en was zonder diploma’s van school gegaan. Dat was op zich niet zo’n groot probleem, want in Groningen werd net door Esso en Shell de NAM opgericht. Hier was genoeg werk voor ongeschoolde pijpfitters en Haile en Graatje vonden dat pijpfitter wel een mooi vak was voor Anton.

Anton was met zijn roots uit Djibouti uitgegroeid tot een tengere tiener met schoenmaat 47 en een bos donker krullend zwart haar die hij in dreadlocks droeg. Hij zag eruit als een marathonloper die uit Jamaica had kunnen komen. Dat laatste was wel te verklaren gezien zijn familieroots. Als zijn over-grootmoeder niet zo’n pesthekel had gehad aan Reggae muziek, had zijn vader nooit uit Djibouti hoeven te vluchten vanwege zijn verboden postzegelverzameling en was hij nooit via de familie Putjeswater bij de postzegelverzamelbeurs in Loppersum terecht gekomen, waar hij Graatje ontmoette en Anton het eerste levenslicht zag. Zo dus ongeveer ..

In werkelijkheid was Anton liever lui dan moe en aan lopen had hij zelfs een broertje dood. Dat veranderde toen hij in aanraking kwam met Piet Steltloper uit Swifterband. Die ontmoette hij geheel toevallig bij de NAM toen hij per ongeluk bij het pijpfitten zijn eigen broek in de fik stak. Als door een wesp gestoken en in blinde paniek vluchtte hij van het gasplatform. Logisch, want vuur en aardgas gaan niet zo goed samen. Anton had daarbij zulke rare bokkensprongen gemaakt, dat Piet, die toevallig had staan kijken naar het pijpfitten van Anton, deze herkende als een hink-stap-sprong. Piet was een gepensioneerde diender en was in zijn jonge jaren zelf  een verdienstelijk hink-stap-sprong atleet geweest. Hij herkende meteen het talent bij Anton. Hij werd door Piet Steltloper uitgenodigd om te komen oefenen bij atletiekvereniging Geen Sprong Te Hoog Geen Stap Te Ver (GSTHGSTV) te Dwingeloo. Dwingeloo ligt op fietsafstand van Moddergat.

Zo gezegd zo gedaan en Anton bleek zijn roots niet te verloochenen en werd binnen een vloek en een zucht jeugdkampioen van Oost-Groningen en Dwingelderveld. Dat betekende dat hij de eer van dat Gewest zou mogen gaan verdedigen bij het Nederlands kampioenschap atletiek in Den Haag. Helaas sloeg het noodlot ook bij hem toe.

Een week voordat Anton naar Den Haag zou afreizen kreeg hij op zijn werk de Jaknikker van het aardgasveld in Slochteren op zijn hoofd. Geheel onfortuinlijk. Hij was een reparatie aan de Jaknikker aan het uitvoeren toen het apparaat onverwacht Ja knikte. Een bedrijfsongeluk en pure pech. In eerste instantie leek de lichamelijke schade mee te vallen en dacht men dat Anton er met een lichte hersenschudding vanaf was gekomen. Hij kon zich het voorval niet herinneren, maar hij wist nog wel dat zijn vader uit Djibouti kwam en dat hij vanuit daar was gevlucht naar Nederland vanwege zijn postzegelverzameling met afbeeldingen van blote skischansspringers uit Liechtenstein. Dus zo erg kon het allemaal niet zijn werd er gedacht.

Na goed twee weken meldde hij zich weer bij GSTHGSTV om zijn eerste hink-stap-sprong te maken na het ongeluk. Al snel bleek dat het toch erger met hem gesteld was dan eerder gedacht. De hink en de sprong kon hij nog prima uitvoeren, maar de stap was hij vergeten. Hoeveel keer hij ook oefende, hoeveel keer het hem ook werd voorgedaan, hoeveel keer hij ook keek naar filmpjes van succesvolle hink-stap-sprong springers, hij kreeg het niet meer voor elkaar. Kennelijk waren drie handelingen achter elkaar te veel voor hem geworden en waren zijn hersenen teveel door elkaar geschud. Waren het maar Nee-knikkers geweest, in plaats van Ja- knikkers, dacht iedereen.

Bij GSTHGSTV bedacht men snel wat nieuws voor hem. Zo dachten die nuchtere Groningers nou eenmaal. Als de hink en de stap niet meer achter elkaar kunnen, dan bleef de sprong over. Zo gezegd, zo gedaan en Anton werd omgeturnd tot verspringer. Op de training ging dat heel goed en het jaar daarop werd hij weer ingeschreven voor de regionale kampioenschappen van Oost Groningen en Dwingelderveld. Dit keer voor het onderdeel verspringen.

Waar hij vroeger onbevangen zijn hink-stap-sprong deed was hij nu heel zenuwachtig om zijn sprong goed te doen. Daardoor wist hij op het moment suprême niet meer of hij vooruit of achteruit moest lopen voor de sprong. Hij koos, spijtig genoeg, voor een aanloop achteruit en daarmee beëindigde hij direct en definitief zijn sportieve carrière. Niemand nam hem na deze kolderieke vertoning nog serieus.

Anton bleek bij nader onderzoek toch een hersenbeschadiging opgelopen te hebben door de aanvaring met de Ja-knikker op het aardgasveld in Slochteren. Hij kon zo maar plotseling logische handelingen niet meer herinneren en uitvoeren. Ook het beroep van pijpfitter kon hij na verloop van tijd niet meer uitvoeren. Dit nadat hij zichzelf en een collega bij het pijpfitten nog een keer in de fik had gestoken, omdat hij in plaats van de pijp zijn broek en die van zijn collega aan het fitten was geweest.

Hij heeft toen nog een tijdje bij Graatje en Haile in Moddergat gewoond. Toen die waren overleden is hij bij Piet Steltloper in Dwingeloo gaan wonen. Zijn hink-stap-sprong ontdekker. Daar is Anton zelf een postzegelwinkel begonnen in postzegels met afbeeldingen van blote skischansspringers uit Liechtenstein.

Het winkeltje is daar nog steeds en Anton ook. Ga er maar eens kijken.

De Burgemeester

Ik ben de Burgemeester twee keer tegen gekomen. Ik woonde op de Kloveniersburgwal. Dat is de verbindingsgracht tussen de Amstel en de Nieuwmarkt. Dat leverde 24 uur per dag een constante stroom van mensen op die zich naar A bewegen of terug naar B. Het liefst door elkaar en gebruik makend van alles wat je maar kan bedenken om je zelf te verplaatsen. De Burgemeester, zijn vrouw en twee dochters waren op de fiets. Zo onopvallend mogelijk kwamen ze voorbij. Een gezinnetje waarvan er tientallen per dag onopgemerkt langs kwamen. Dat laatste zou ook gelukt zijn, als ik de stem van de Burgemeester niet had herkend. Zijn tongval en timbre deden mij omkijken. Sterker nog, ik hoefde niet om te kijken. Ik wist meteen, daar komt de Burgemeester voorbij. Amsterdams met een Haagse ondertoon. Een octaaf hoger dan de gemiddelde stem. Niet onprettig in het gehoor, zelfs plezierig om naar te luisteren.

Ze fietsten naast elkaar met elk een dochter achterop. Vrolijk kwebbelend en kennelijk op weg naar een familie dingetje. Een flard van het gesprek kon ik volgen. De Burgemeester zei: “Dat ken toch helemaal niet. Wat een ….” De rest hoorde ik niet. Ze waren uit mijn gehoorsafstand verdwenen. Ik denk dat de Burgemeester ‘Ouwehoer’ zei. Tenminste dat vulde ik maar in, want zeker weten deed ik het niet. ‘Je bent gewoon een ouwehoer’. Dat zei hij ooit in een karakteristiek fragment in plat Amsterdams tegen een burger die zijn mening al klaar had voordat de Burgemeester überhaupt iets had kunnen zeggen. De Burgemeester hield van discussiëren, maar alleen als er ook naar hem geluisterd werd.

Achter op de fiets had zijn dochter waarschijnlijk verteld dat zij die middag uit de klas was gestuurd, omdat zij had zitten kwebbelen. Dochterlief had aan de leraar willen uitleggen waarom dat was. Kennelijk was er een zeer goede reden. Maar de leraar had niet willen luisteren. ‘Dat ken toch helemaal niet. Wat een ouwehoer die gozer’, had ik de Burgemeester horen willen zeggen.

Het was vrijdagavond. Ik denk voorjaar. Ik liep over het Thorbeckeplein met mijn geliefde. Op weg naar restaurant Ponte Arcari op de hoek van de Herengracht en Reguliersgracht. In mijn ooghoek zag ik een man aankomen lopen. Beetje onvast op zijn benen. Hij had een maatpak aan, waar de maat duidelijk uit was. Zijn jasje hing slordig om zijn schouders en zijn broek hing op half zeven. Zijn overhemd hing aan één kant uit zijn broek. Ondanks dat maakte hij toch een zekere indruk. Iemand die zich niet onzichtbaar wilde maken. In zijn linkerhand had hij een plastic tas, of eigenlijk een plastic draagtuig. Daarin hingen vier dozen met pizza’s. Op de dozen stond: restaurant Isola Bella. Kennelijk had hij 4 verse pizza’s gehaald op het Thorbeckeplein en liep hij nu naar zijn huis. Wij wilden doorlopen, maar iets maakte dat ik stil bleef staan. Ik kende deze man. Ik had hem eerder gezien. Ineens zag ik het: het was de Burgemeester die had pizza’s had gehaald om deze zo met zijn familie uit de doos op te eten op de Herengracht 502. Hij en zijn vrouw hadden vast geen zin gehad om te koken na een drukke week en waarschijnlijk de vrijmibo op het stadhuis. Hij had zijn kinderen vanmorgen al beloofd dat hij ’s avonds pizza’s ging halen. Ik wilde net tegen mijn geliefde zeggen: ‘Dat is toch ook geen gezicht. De Burgemeester in kennelijke staat met vier pizza’s in een draagtuig’. Maar tegelijkertijd dacht ik: waarom niet? Dit is onze Burgemeester in zijn vrije tijd in een stad waarin dit gewoon kan. En onze Burgemeester is de stad. Met een trots gevoel liepen we restaurant Ponte Arcari in, waar we zeer gastvrij werden ontvangen. Wat een lieve stad dat Amsterdam!

Abraham Bilderbeek

In de 2e Hoogstraat op nummer 34 woonde de familie Bilderbeek. Het was een Joodse familie. Zij zijn in 1942 gedeporteerd naar Auschwitz en nooit meer teruggekomen. Vergast. Hoe ik dat weet? Ik loop elke morgen door de 2eHoogstraat. Ter hoogte van nummer 34 ligt een koperen plaatje met een tekst. Recht voor de deur. Het plaatje zit bevestigd aan een steen in de stoep. Het is een Stolpersteine. Een Struikelsteen. Je kan er het volgende op lezen: “Abraham Bilderbeek, geboren 1886, gedeporteerd 1942 uit Westerbork, vermoord 19-2-1943 Auschwitz“.

Het lijkt wel of ik de enige ben die het ziet. Toeristen kijken niet op of om en lopen door. Eigenlijk loopt iedereen door. Ik woon nog niet zo lang in Amsterdam, maar ik zie op veel plekken verwijzingen naar de 2e wereldoorlog. De Jodenvervolging. Naast museum de Hermitage aan de Amstel ligt de Nieuwe Keizersgracht. Op de kade tegenover de huizen zijn op de grond metalen plaatjes bevestigd met de namen van de Joodse families die uit hun huizen zijn gehaald. Gedeporteerd. Hele families zijn op deze manier vermoord. Meer dan 200 bewoners. Ik ben er meerdere keren gaan zitten en ben gaan nadenken hoe dat moet zijn geweest. Voor de mensen die toen leefden. Joden en niet-Joden. Ik werd er iedere keer stil van.

Op de Dirk van Nimwegenbrug, op de hoek van de Amstel en de Nieuwe Keizersgracht, hangt een straatnaambordje. Er staat op: Schaduwkade. Dit is de bijnaam van de Nieuwe Keizersgracht die de huidige bewoners hebben gegeven. Schaduwkade. Ik hoop uit schaamte. Ik vroeg mij af of ik had geweten wat er allemaal gebeurde in mijn stad tijdens de oorlog. En als ik het had geweten, wat zou ik hebben gedaan? Als niet-Jood.

Ik moest denken aan Anne Frank. Natuurlijk ben ik in haar huis geweest op de Prinsengracht. Indrukwekkend. Niet zo zeer door het (achter) huis, maar door de beelden die er te zien zijn. De filmfragmenten van de ontberingen. De vernederingen. Het scheidden van kinderen van hun ouders. De vergassingen. De stapels doden. De interviews met overlevenden. Miep Gies.

Ik denk dat Anne niet eens zo’n leuk meisje was. Een beetje voorlijk voor haar leeftijd. Wijsneus. Maar Anne staat als voorbeeld voor de verschrikkingen. Het is een verhaal waar mensen zich aan vast klampen om te leren begrijpen wat er is gebeurd. Het is goed dat er dag in dag uit lange rijen voor het huis van Anne staan.

Maar begrijpen doe ik de oorlog nog steeds niet. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Willen begrijpen is een begin van accepteren. En dat nooit! Ik ben geboren in februari 1964. De 2e wereldoorlog was afgelopen in mei 1945. Toen ik werd geboren was het nog niet eens 20 jaar geleden dat mensen elkaar op deze manier naar het leven stonden. Hele bevolkingsgroepen zijn uitgemoord. En waarom? Omdat ze Jood of Zigeuner of homo waren. We zijn nu 50 jaar later. En wat hebben we ervan geleerd? Wat heb ik ervan geleerd?

Hoe paradoxaal is het dat de inwoners van Israël de inwoners van Palestina zo haten. En andersom. Dat Israël zelf oorlogsmisdaden pleegt. Ik zie wat ik zie. Natuurlijk is het niet fijn als er raketten op jouw land worden afgevuurd. Natuurlijk is het lastig dat ongure types uit Gaza via ondergrondse gangen chaos proberen te creëren. Maar het gaat erom dat je geen oorlog moet voeren. Het gaat erom dat er nooit een reden is om mensen te doden. Zeker niet als je zelf als volk zware verliezen hebt geleden. De economisch sterkste bent en Amerika ook nog eens jouw bondgenoot en sponsor is. Doe normaal!

Ik ben geen held. Ik ben lui en naïef als het mij uitkomt. Ik ben als mijn buurman en de fietsenmaker van mijn buurman. Ik kijk ook wel eens de andere kant op. Dat maakt mij bang. Wat had ik gedaan tegen de Jodenvervolging? Had ik de Joden ook zo gehaat? Had ik ze onderdak geboden? Had ik Joden verklikt? Er zijn meer laffe mensen dan helden. Is het genoeg dat ik elke morgen even stil sta bij de voordeur van Abraham Bilderbeek?

Veters

Het was een gang, een lange gang. Vaag zag hij een schijnsel van licht. Diffuus, als de ochtendzon die door vitrage heen schijnt. Hij moest aan zijn tante Daatje denken en aan het arbeidershuisje in Doetinchem. 17 jaar was hij en ondergedoken voor de Duitsers. Het was oorlog. Het licht wat hij nu zag had hij eerder gezien.

Hij loopt in zijn onderbroek. Een stugge groene katoenen en hij heeft zijn legerkisten aan. Ze knellen en doen pijn. Een sliert vochtige lucht kronkelt langs zijn benen omhoog. De lucht ruikt muf. Spinrag raakt zijn hoofd. Unheimisch. Hij rilt. Langzaam loop hij de gang in. Een paar schoenen staan langs de kant. Legerkisten, netjes naast elkaar gerangschikt. Hij loopt door en ziet dan een lange rij staan. Allemaal dezelfde schoenen. Bruin leer, stompe neus. Veters, gelijkmatig links en rechts hangend over de schacht. Zijn gedachten zoemen ritmisch door zijn hoofd. Links rechts, links rechts, links rechts … . Hij krijgt een dejavu en marcheert over de exercitieplaats van de kazerne Prins Hendrik in Vught. Het sneeuwt. De sergeant schreeuwt: ‘rechts beginnen, hoe vaak moet ik dat nog zeggen verdomme!’

Het beeld vervaagt langzaam. Hij loopt verder de gang in. Zijn sokken voelen nat aan en zijn voetzolen branden. Het wordt licht in de gang. In de verte ziet hij zonnestralen. In strepen op de grond. Hij knijpt zijn ogen dicht tegen het felle licht. Dan ziet hij vaag een deur. Hoop siddert door zijn lichaam. Altijd maar die wanhoop. Moe. Altijd maar moe. Altijd maar pijn. Maar nu lijkt het voorbij. Achter die deur. Daar moet hij zijn. Zijn bevrijding is nabij!

In één stap is hij bij de deur. Wat zo ver leek is nu heel tastbaar. Een grijze ijzeren deur. Massief en glad. Gebladderde verf. Geen klink. Hij ziet een heel klein luikje. Het luikje is dicht. Er hangt een handgeschreven briefje op. Er staat: ‘schoenen uit doen en drie keer kloppen’. Het handschrift is van hem zelf. Hij bukt en begint zijn veters los te knopen. Het lukt niet. Hij heeft geen kracht genoeg in zijn vingers. De veters zitten te vast en de knopen willen niet los. Hij begint te zweten en te trillen.

In pure wanhoop rukt hij nog een keer aan zijn veters. Het lukt weer niet. Hij begint te huilen en te schreeuwen en probeert in paniek zijn veters stuk te trekken. Tevergeefs. De knopen raken steeds vaster en zijn vingers raken ontvelt en beginnen te bloeden. Wanhopig beukt hij op de deur. Nog een keer, nog een keer …. . Hij voelt zijn krachten wegvloeien en valt uitgeput op de koude grond. Niemand reageert. Het luikje blijft gesloten en de deur blijft dicht. Stilte. Doodse stilte. Het zal verdomme toch niet waar zijn?

Leeg en misselijk staat hij op en begint langzaam de gang weer terug te lopen. De legerkisten zijn weg. Er staat geen één paar meer. De gang is leeg. Plotseling knippert er Tl-verlichting aan. Hij knippert met zijn ogen om te wennen aan het felle licht. Hij ruikt een bekende geur. Chloor. De vloer waar hij nu op loopt is van linoleum. Drie kleuren in banen. Lichtgeel, oranje en bruin. Hij herkent de kleuren. Hij loopt op zijn blote voeten in zijn onderbroek. Een katoenen witte en er onder heeft hij een luier aan.

Voetje voor voetje schuifelt hij langzaam door de gang.  Een zuster komt hem tegemoet en zegt: ‘Ik breng U naar uw kamer Mijnheer. U was aan het slaapwandelen’. Hij schreeuwt terug: ‘Nee. Nee! Ik was er bijna. Bijna verdomme! Laat me gaan mens. Laat me met rust. Ik wil dood. Dood hoort U!’

Ik zat links en mijn broer zat rechts. Mijn vader lag in het midden op zijn bed met zijn ogen gesloten. Hij ademde zwaar, maar regelmatig. Het was vijf uur in de middag. De afgesproken tijd. Ik liep de gang in om te kijken waar ze bleven. De dokter was samen met de verpleegster bezig om het infuus klaar te maken. Twee zakjes doorzichtige vloeistof aan een rijdend statief. Om half zes heeft hij zijn veters losgekregen, zijn schoenen uitgedaan en is hij naar binnen gegaan. De deur viel langzaam in het slot. Voorgoed.

We hebben er een biertje op gedronken.

Pa!

Parijs

Het zal eind jaren 80 zijn geweest. Mijn toenmalige zwager en ik hadden het zalige plan opgevat om de aankomst van de Tour de France in levende lijve mee te maken. Wij keken alles, als het maar met sport te maken had. Ik was net begonnen met werken en had een huis gekocht. Mijn zwager studeerde nog op de universiteit. Dat betekende dat het allemaal niet veel mocht kosten. Met de bus dus binnen 24 uur heen en weer. In mijn herinnering zijn we midden in de nacht vertrokken. In het echt zal dat rond 06:00 zijn geweest, want we waren rond het middaguur in Parijs. Van de reis kan ik mij niet veel herinneren. Alleen dat we onderweg bij zo’n ontzettend vies Frans wegrestaurant zijn gestopt en dat wij allebei een kleffe gehaktbal (of iets wat daar op leek) naar binnen hebben gewerkt. Laten we zeggen dat we in die tijd nog niet zo kieskeurig waren wat eten betreft en dat het vooral moest vullen.

Van Parijs daarentegen kan ik mij nog alles herinneren. We werden gedropt op de kop van de Champs Elysees, bij de Arc de Triompfe. Daar waar een paar uur later het volledige peloton met doodsverachting langs ging razen. Op dat plekje zou om acht uur ’s avonds de bus ook weer staan voor de terugreis. Niks op aan te merken. Het was inmiddels één uur ’s middags en het peloton was onderweg, maar nog lang niet in Parijs. De laatste etappe van een grote ronde is er een voor de bühne namelijk. Iedereen keuvelt wat, de winnaar wordt alvast in het zonnetje gezet en de eerste fles champagne wordt ontkurkt. Het tempo ligt ontzettend laag. Totdat men in Parijs arriveert en het gas er nog even op gaat. Tenminste bij de sprinters, want Parijs winnen is een eer. Voor het klassement maakt het allemaal niks meer uit.

Kortom alle tijd om een eerste biertje te pakken. Nou wisten wij dat het budget technisch niet handig was om op de Champs een biertje te gaan drinken en zeker niet om daar op een terras te gaan zitten en het biertje te laten serveren door een ober. Dus een paar straatjes achter de Champs een café opgezocht en binnen gaan zitten aan de bar. Best tevreden waren wij met zoveel slimheid. Voorbereiding is het halve werk en daar proosten wij dan ook op. Bij het afrekenen bleek dat wij toch minstens de helft van ons budget er doorheen gedronken hadden. Heel nonchalant had de ober in pak ons gevraagd of een Carlsberg ‘bien’ was voor de ‘monsieurs’? ‘Uuuuhhhhh … oui bien sure’ antwoordde wij in ons beste Frans. Dat bleek dus een misvatting te zijn. De twee Carlsbergjes bleken de duurste biertjes van de kaart te zijn. Tsja .. waren die Hollandse slimmeriken toch genaaid door die Franse ober.

Maar goed, wij waren met een missie in Parijs en namen deze tegenslag sportief op. De rest van de dag verliep zonder verdere incidenten. Wij hadden krentenbollen mee, het was bloedheet, we hadden net genoeg geld om twee flesjes water te kopen, we hebben acht keer wat wielrenners voorbij zien komen en hadden geen idee wie uiteindelijk de etappe had gewonnen. De Tour werd dat jaar trouwens gewonnen door de Ier Stephan Roche. Maar ja, dat stond al vast.

Na de finish hebben wij nog wat rond gezworven en in een supermarché een salade Nicoise gescoord. Langzamerhand hebben wij ons terugbewogen naar de Arc de Triomfe, alwaar de bus terug naar Nederland zou komen te staan. Mooi op tijd stonden wij op de afgesproken plaats en tot onze geruststelling zagen wij ook al enkele bekende hoofden van de heenreis. Altijd fijn.

Ik moest plassen en in Parijs heb je van die openbare toiletten die er uit zien als ovale gebouwtjes. Muntje er in en je kan veilig en schoon je gang gaan. Ik liep naar het gebouwtje, maar het toilet was bezet. Geen probleem. Tijd zat. Na een korte periode kwam de tijdelijke huurder er uit en ik hoorde het toilet schoon spoelen alsof er van binnen van alles in- en uit klapte. Bij binnenkomst van het gebouwtje bleek dat ook het geval te zijn geweest. Het hele binnen gebeuren was nat, maar rook heerlijk fris. Ik kon dus prima mijn ding doen en de deur ging weer netjes open nadat ik op een knop had gedrukt ten teken dat ik klaar was.

Voor de deur stond een nette Franse mijnheer. Tenminste zo schatte ik hem in. Hij had duidelijk meer budget gehad dan mijn zwager en ik. Hij had meer dan één biertje op. Maar geen muntje voor het toilet, maar hij moest wel heel nodig. Hij wilde mijn toiletbeurt ‘gratuit’ overnemen. Ik raadde hem dat ten zeerste af, omdat ik wist wat er in dat gebouwtje ging gebeuren. Ik zei: ‘Non Monsieur, toilet klappé klappé’.

Dit advies maakte weinig indruk en met een arrogante blik verdween hij in het gebouwtje. De deur schoof netjes weer dicht. En toen gebeurde het. Een hoop gerommel, geluid van water, gebonk op de deur en paniekerig geschreeuw. De volgende toilet ganger gooide snel een muntje in het daarvoor bedoelde gleufje. De deur schoof open en een totaal verweekte Monsieur kwam met grote ogen van volledige ontreddering het gebouwtje uit. Het was als of hij door de autowasstraat was getrokken. Mijn zwager en ik lagen dubbel van het lachen. Wat ons betreft maakte dit de hele reis naar Parijs goed. Dit was niet alleen de 1-1. Dit was ook een uitdoelpunt en deze telde dubbel.

Met een zeer voldaan gevoel aanvaardde wij de thuisreis, die gek genoeg een stuk korter duurde dan de heenreis. Wij hebben tranen met tuiten gelachen de hele reis tot aan het Stationsplein in Haarlem aan toe. Om twee uur ’s nachts hebben wij afscheid van elkaar genomen. Onder gejoel van de kreet ‘Non Monsieur, toilet klappé klappé’.

Stomme Fransen!

Kartonnetje

Dartford, graafschap Kent. Eind jaren vijftig. Michael Philip Jagger ontmoet bij toeval Keith Richards op het treinperron van het plaatselijke stationnetje. Allebei geboren in hetzelfde dorp. Zij kennen elkaar van de kleuterschool en de lagere school. Daarna zijn ze elkaar uit het oog verloren. Tot deze toevallige ontmoeting met grote gevolgen. Jagger en Richards worden goede vrienden en beginnen een bandje; Little Boy Blue and the Blue Boys. Het begin van wat later de wereldberoemde Rockband de Rolling Stones wordt. Het is dan 1962. Het kan verkeren.

Juni 2014. 52 jaar later. Op weg naar Werchter in Belgie. Zwager 3 aan het stuur van de Mitsubishi Spacewagon uit 1992. Ook een soort oude rocker. Zwager 3 is in hart en nieren fan van de Stones en gaat voor de weet ik zoveelste keer naar een concert. Hij kent alle nummers uit zijn hoofd en laat dit vanaf het startpunt in Wormer duidelijk horen. Zwager 3 heeft neefje 2 achter in de auto gezet. Neefje 2 is duidelijk genetisch gemanipuleerd door het Stones virus. Zwager 3 deed HET alleen met muziek van de Rolling Stones op de achtergrond. ‘Een principe kwestie’, zegt hij. Dat het met zo’n uitgebreid repertoire slechts gebleven is tot 2 kinderen is mij wel een raadsel. Tenzij schoonzus 2 er niet zo van hield? Van de muziek bedoel ik.

Ook neefje 2 kent het hele repertoire uit zijn hoofd. In canon worden nu hele nummers van de Stones meegeblerd. Neefje 2 heeft vriendje 1 meegenomen en zitten gebroederlijk met zijn tweeën op de achterbank van de Mitsubishi Spacewagon. Gescheiden door een kratje bier. Jupiler. Want we gaan tenslotte naar België. Het kratje dient als arm steun, maar zal later op vele manieren zijn diensten bewijzen. Nooit bij stil gestaan hoe multifunctioneel zo’n kratje kan zijn.

Het is 11.00 uur in de ochtend en de eerste Jupiler wordt soldaat gemaakt. Zwager 3 houdt het als chauffeur bij een colaatje. Vriendje 1 gaat kennelijk al een tijdje met neefje 2 om. Het geluid in de auto is nu drie dimensionaal en er is geen ontkomen meer aan. We zijn inmiddels de grens, die geen grens meer is, over gegaan. Mechelen is een alleraardigst stadje in de provincie Antwerpen. De rivier de Dijle meandert loom door de stad. Wij naderen de rotonde die ons definitief in de richting van Werchter moet gaan brengen. Zwager 3 denkt daar echter anders over en voor we het weten doen we een stadstour door Mechelen. Leuk stadje inderdaad. Kleine straatjes, veel kasseien. Alles éénrichtings verkeer. Het duurt even voordat we weer voor de rotonde staan, maar Mechelen kan van mijn bucket list af. Alles gezien!

Ik heb mij over laten halen om mijn festival ontmaagding maar meteen tegelijk te vieren met de ultieme festival beleving; slapen in een tentje op een festival camping. Tunneltentje, model Grutto met flexibele tentstokken. Dat is mooi dacht ik: kunnen we er ook nog een ander model van maken. Nou, zo flexibel waren die stokken niet. Er was nog behoorlijk veel geweld voor nodig om de stokken een beetje eenduidig door de schacht te krijgen. Aan het eind moet er dan een soort pinnetje in, wat weer aan een ringetje zit, waar dan uit eindelijk de haring doorheen moet, om het geheel aan moeder aarde vast te nagelen. Ik was alvast in de binnentent gekropen om te kijken of het allemaal goed ging. Beginnersfoutje! Volledig doorweekt van het zweet stond ik een uurtje later te kijken naar onze tent. Model Tureluur. Ook mooi!

Maar goed. Ik ben natuurlijk gekomen om de eerste keer van mijn leven Mick, Keith, Charlie en Ron te zien. De helden. Ook in mijn beleving. Ook al ken ik niet hun volledige repertoire uit mijn hoofd. Na een veelbelovende pre-party op de camping, zwager 3 werd ’s morgens herkend door heel veel buren, die hij zelf totaal niet herkende. ‘Hey buurman, alles goed?’ ‘Huh … .’ ‘Ja, je hebt vannacht een paar keer rond onze tent gedanst en staan te urineren tegen onze auto.’ ‘Ooooh ja ha ha ha uuh, ik moet gaan.’

Na een paar kleffe broodjes en slappe bakken koffie was het zover. De gang naar het festival terrein, waar het overigens nog een hele dag en avond zou duren voordat de hoofdact ging optreden. Zoals bij elk evenement waar veel mensen op af komen en waar alles commercieel uitgeknepen wordt, was de lijst met waarschuwingen oneindig. Geen eigen eten, geen eigen drinken, geen koelboxen, geen meubilair en het eindigde met geen drugs en geen wapens. Die laatste vond ik er wel toe doen overigens. Wij hadden dan ook niets bij ons, dan slechts een stukje karton om op te zitten.

Wat bleek echter bij binnenkomst? Mensen hadden bankstellen meegenomen. Zwembaden. Ik zag zelfs hele woonkamer inrichtingen, inclusief schemerlampen, tapijtjes enz.. Allemaal OPBLAASBAAR! Geniaal natuurlijk, maar waarom hadden wij daar niet aan gedacht zwager 3?

Een beetje schuchter tussen zoveel opblaasbaar geweld, nestelden wij ons pal voor het hoofdpodium op ons kartonnetje. Het weer was goed. Sterker nog: de zon scheen behoorlijk. Hoe mensen het voor elkaar krijgen weet ik niet, maar de ene parasol na de andere werd tevoorschijn getoverd. Waar kwamen die in Godsnaam vandaan? In welke lichaamsopening waren die binnen gesmokkeld dan? Sommige parasols hadden zelfs feestverlichting! Dat had ons kartonnetje ook niet.

Gelukkig werden wij al snel afgeleid door de eerste act. Arno Hintjens. Artiestennaam Arno. In de jaren 80 bekend van onder meer de band TC Matic. Nou, dan ben je wel meteen bij de les. Rauwe Belgische rock in op zijn minst zeven verschillende kleuren, talen en dialecten. Arno zingt met volle overgave ‘Putain, Putain’ (hoer hoer). ‘Je korte dikke stoot alles in stukken. Je lange dunne doet deugd van binnen. Ik heb een kleintje. Maar ik schiet van verre’. Tsja …  met zulke teksten zit de sfeer er gauw in natuurlijk. Maar dat had Arno niet echt in de gaten. Arno had namelijk een kegel van Ukkel naar Sint Niklaas en zat met zijn hoofd in een vette hasj wolk. Naast dat hij geheel niet tekst vast was, hij zong volgens mij bij elk nummer dezelfde brij van woorden, was hij ook constant in gesprek met zich zelf. En dat ging er niet vriendelijk aan toe! Hier was kennelijk heel wat aan de hand geweest in huize Hintjens?

Gedurende de rest van de dag worstelden wij ons via Trigger Finger (beetje saai), Seasick Steve (vette gast) en Simple Minds (boring like hell) naar het hoogtepunt van Werchter Classic. De helden van de Rolling Stones.

Kapot waren we na zo’n hele dag op ons kartonnetje. Waar anderen heerlijk op de bank in slaap waren gevallen, uitgebreid in bad waren gegaan of onder een familie parasol met feestverlichting aan hun opblaasbare zwembad hadden gelegen, kwam het hele festival park tot leven en er heerste opeens een lekkere vibe. De show werd heerlijk opgewarmd met audiovisueel spektakel. Alle energie die via ons kartonnetje de bodem in was gezakt was terug. Opblaasbaar of niet opblaasbaar was niet meer de vraag; iedereen kwam voor hetzelfde. De oude rockers aan het werk zien.

En ik heb ze gezien, gevoeld en gehoord. Wat heb ik genoten van hun positieve energie en lekkere rock. De oude helden met respect. Heel veel respect.

Dank zwager 3, neefje 2 en vriendje 1 dat ik erbij mocht zijn.

Het was MOOI!!

Goudhaantje, de Tulpengeneraal en de pisbak

Ik heb vier jaar een vriendinnetje gehad in Wormer. Dat is een dorp boven het Noordzeekanaal in Noord-Holland. Voor een jongen uit Haarlem is boven het Noordzeekanaal zo’n beetje Antarctica. Daar moet je zijn geweest, maar niet te lang. Nou is Wormer best mooi gelegen aan de Zaan en de panden van de Lassie fabriek indrukwekkend. Wat dat betreft kan het best een vergelijking trekken met het Spaarne en de Droste fabriek in Haarlem. Al blijft Wormer een dorp en Haarlem een stad en dat is vooral in de winter een hemel van verschil.

In die vier jaar ben ik aardig ingeburgerd geraakt in de gebruiken van zo’n dorp in de Zaanstreek. De jaarlijkse drinkgelagen op de dorpskermissen, zingen aan de Zaan, slag om de Zaan enz. Ook ben ik er toen achtergekomen dat Spijkerboor niet alleen een vliegbaken is, maar daadwerkelijk een dorp waar mensen wonen.

Ik was een jongetje van tien toen in 1974 het WK voetbal werd gespeeld. In Duitsland om precies te zijn. Als jongetje van tien, met als hobby voetbal, voetbal en voetbal was dat zeer spannend. Niet alleen om de wedstrijden te zien, maar vooral om op te mogen blijven om de wedstrijden te zien. Zelfs nu nog kan ik mij precies herinneren hoe dat voelde.

Mijn held was Johnny Rep. De rechtsbuiten van Ajax en het Nederlands elftal. Op het WK van 1974 scoorde hij vier keer, waarvan twee keer in de openings wedstrijd tegen Uruguay. Zijn mooiste doelpunt voor Oranje maakte hij op het WK 1978 tegen Schotland. De 2-3 en de winnende goal van die wedstrijd. Dit doelpunt staat nog steeds in de top tien van mooiste WK doelpunten aller tijden. Naast twee verloren WK finales met Oranje, heeft hij ook twee Europacup I finales gespeeld met Ajax. In de gewonnen Europacup I finale tegen Juventus maakte hij in 1973 de beslissende 1-0. In de daarop gespeelde Wereldbeker wedstrijd tegen Indepiente uit Argentinië scoorde hij zelfs, in een bikkelharde wedstrijd, twee doelpunten. Ajax won dat jaar ook de Wereldcup. Dat gaf Johnny de bijnaam Goudhaantje. Omdat hij altijd in belangrijke wedstrijden beslissende doelpunten maakte. Kortom: Johnny is altijd mijn jeugdheld gebleven, zoals dat gaat als je ouder wordt.

Johnny is geboren in de Zaanstreek, voetbalde bij ZFC in Zaanstad en woonde een groot deel van zijn leven in Jisp. Jisp ligt vlakbij Wormer en Johnny was dan ook een bekend persoon in het uitgaansleven van Wormer en omstreken. Sterker nog, hij maakte zelfs deel uit van de innercircle van mensen waar ik inmiddels mee omging. Ik kon dus niet wachten om mijn jeugdheld een keer te ontmoeten en hem te vertellen dat hij mijn jeugdheld is.

Tot mijn verbazing werd er in Wormer op een heel andere manier over Mijn jeugdheld gesproken. Ik hoorde echt niemand over zijn helden daden als voetballer, maar alleen over zijn daden in het uitgaansleven. En dat waren niet allemaal verhalen die bij een jeugdheld horen. Johnny stond namelijk bekend als een behoorlijke innemer en niet als een bekende voetballer die heel veel successen had gekend. Iedereen die ik sprak wist wel een verhaal over mijn held te vertellen. Eigenlijk zagen ze Johnnie als een loser. Iemand die zijn leven behoorlijk verkloot had.

Ik had dus inmiddels twee verschillende beelden van mijn jeugdheld, maar kon ze goed van elkaar scheiden. Het kon niet lang uitblijven en dan zou ik hem ontmoeten. En dat gebeurde. Ik denk dat het bij het evenement Slag om de Zaan moet zijn geweest. Slag om de Zaan is een roei wedstrijd met sloepen tussen Zaandam en Wormer. Een groot evenement, waarbij ook sloepen uit het buitenland deelnemen. Internationaal tintje dus. Rondom de race wordt er van alles georganiseerd met onder meer muziek en vooral veel bier. Tout Wormer en omgeving loopt uit en de kans dat ik mijn jeugdheld tegen het lijf zou lopen was groot. En dat gebeurde. Daar stond hij. Vrolijk te kwebbelen met de innercircle. Gelukkig wist mijn vriendin van mijn fascinatie en zag dat ik erg zenuwachtig was. Zij stelde mij dus aan Johnny voor. ‘Dit is Johannes en hij vindt jou leuk en wil met jou op de foto’. Niets van gelogen natuurlijk. Johnny hing zijn arm om mijn nek en zette zijn foto glimlach aan. Ik frommelde mijn drie biertjes snel weg. Johnny niet. En klik. Ik was vereeuwigd met mijn jeugdheld.

Ik vond dat ik ook wat tegen hem moest zeggen. De kans van mijn leven. Het was in de tijd dat Louis van Gaal net bondscoach was geworden van Oranje. En als ik iemand niet kan pruimen, dan is het de Tulpengeneraal wel. Louis heeft deze bijnaam te danken aan zijn trainerschap bij Bayern München. Maar niet omdat het nou zo’n leuke man was. Hij was wel een goede trainer. Voor iemand die Ajax een zeer warm hart toe draagt, is het misschien raar dat Louis niet in het pulletje valt? Maar goed, het was en is zo bij mij. Ik dacht mijn mening over de Tulpengeneraal wel even te kunnen delen met Goudhaantje. Dus ik zei: ‘Het is toch wat, maken ze die Louis van Gaal bondscoach. Dat is toch een schande?’ Als een door wesp gestoken draaide Johnny zich om en fulmineerde naar de innercircle: ‘Wat is dat voor een rare gast? Daar wil ik niks mee te maken hebben!’. De innercircle keek verbaast naar mij en ik kon niks anders doen dan wat verontschuldigend mijn schouders op trekken.

Het weekend daarop was het Ajax-AZ. Als supporter van Ajax heb ik een seizoenkaart. Vak 405 zit ik. Dat is op de 2e ring aan de dug-out kant, naast de perstribune. Mooi plekkie. In de rust moest ik mijn blaas ledigen en ik stond wat te staren naar het vliegje in de pisbak waar je op moet mikken. Ajax stond in de rust met 1-0 voor. Niks aan het handje dus. Naast mij komt een andere man staan met dezelfde bedoeling. Het rare is dat je toch altijd even je buurman bekijkt. Ik in ieder geval wel. Uit mijn ooghoeken zie ik een vaag silhouet. Je kijkt iemand bij de pisbakken namelijk niet meteen vol in zijn gezicht, laat staan lager. Het was Johnny Rep. Ik kom toch heel wat jaartjes in vak 405, maar Johnny had ik hier nog nooit gezien. En nu stond hij naast mij zijn Goudhaantje te ledigen. Eigenlijk hoopte ik dat hij mij herkende. Er stonden een tiental Ajacieden in de pisbakken ruimte en wat is er nou mooier dan dat een oude Ajax held je gedag zegt of blijk geeft van herkenning? Maar dat gebeurde dus niet. Hij stond zijn ding te doen en ik ook en het volgende moment waren we elkaar kwijt. Waarschijnlijk voor altijd.

Maar een jeugdheld blijft Johnny. Daar hoef je Johannes niet leuk voor te vinden en Louis van Gaal trouwens ook niet!

Westerpark

Acht uur ’s morgens
Ik fiets met mijn nuchtere hoofd richting UWV
Een sportief type komt mij tegemoet
Vrouw
Puffend, rochelend
Druppeltjes zweet parelend op haar bovenlip
Haar lichtblauwe Nike shirt kleurt met donkere vlekken
Zweet
Haar tweede adem allang voorbij
Ik zie het direct
De eenden pas
Knieën naar binnen, voeten naar buiten
Flap … flap … flap
Zo klinkt de eenden pas
Ongeschikt om hard te lopen
Zie ik meteen
Is haar aangepraat, moet je doen
Op zoek naar een flow adrenaline
Wordt niets
De volgende ongelukkige
Man, jaar of 40
Vadsig
360 graden airbags rondom
Hoofd met grijs krullend kort haar
Ja hoor …
De holle rug pas
Voeten voor het lichaam
Lichaam hellend naar achteren
Buik naar voren
Lijkt achterna gezeten te worden
Verdomd weinig tempo
Tenminste
Voor iemand die op de hielen wordt gezeten
Hardloop shirt volledig vertranspireerd
Verzameling vliegen om zich heen
Slaat deze met zijn handen van zich af
Dat zou al beweging genoeg moeten zijn
Zou je denken
Maar ja, geen zweet, geen vliegen
Dus …..
Bolle rug komt holle rug tegen
Man, dik in de zestig
Handdoek alvast om zijn nek
Je weet maar nooit
Buikje
Kleine pasjes
Lichaam leunt naar voren
Zoekt iets
Maar dreigt om te vallen
Zet net op tijd zijn éne voet naar voren
Lijkt lichtelijk in paniek
Stoot hoge fluittoon uit
Zweetplek op zijn rug
Kind op fietsje haalt hem in
Hij merkt het niet
Bezig met overleven
Westerpark
Acht uur ’s morgens
In rustig tempo peddel ik naar kantoor
Heerlijk!